’Mijn hele familie ademt glastuinbouw’

De kiem voor glastuinbouw werd in Nederland gelegd. Koen van Wijk groeide op tussen tuinders. De rijke geschiedenis van zijn familie is te lezen in zijn boek ’Land van glas’. „Eigenlijk moest je in onze familie tuinder worden.”

Kortenhoef – Journalist Koen van Wijk (47) schreef de blaren op zijn vingers en bracht vorige week na drie jaar zwoegen zijn boek ’Land van glas’ uit. Van Wijk beschrijft de geschiedenis van zijn tuindersfamilie en laat daarmee de historie van Nederlandse glastuinbouw zien, tegen de achtergrond van de twintigste eeuw. „Door dit schrijfproces kijk ik nu anders naar mijn familie.” Bril, kort grijs haar, hippe spijkerbroek en blauwe schoenen. Van Wijk zit op de bank in zijn huis aan de J.H. Valkenburglaan in Kortenhoef. Hij pakt zijn gloed nieuwe boek. „Ik werkte er drie jaar aan. Hoor ik gisteren dat sommige mensen mijn boek al binnen twee of drie dagen uitlezen. Komt misschien ook omdat ik veel aan dacht besteedde aan de leesbaar heid.” Hij dacht bijna over elk woord na. „Ik schreef twintig keer langzamer dan normaal. In mijn werk was ik niet altijd perfectionistisch. Nu wel.” Hij lag soms ook wakker van zijn boek. „Ik dacht: ’hoe reageert mijn familie als ze het lezen? Soms schreef ik met enige schroom. Ik moest wat schaamte voorbij. Ik deel wel intieme verhalen van mijn familieleden.” De reacties zijn hartverwarmend. „Familieleden die reageer- den, vinden het prachtig.”
De schrijver groeide op in Berkel en Rodenrijs in een tuindersfamilie. Tot wel vier generaties terug zijn kwekers in zijn familie te bespeuren. Aan moederszijde tomatenkwekers, aan vaderszijde kasverwarmingsinstallateurs. Zijn boek begint bij zijn opa Bram Moerman, een tomatenkweker die in de voetsporen van zijn vader trad. Zijn opa Bram krijgt tien kinderen, zes dochters en vier zonen. Louter één dochter trouwde buiten de tuinbouw. „Het is een wereld op zich, een cultuurtje. Mijn opa was best dwingend. Vaders wil was wet. Gold voor alle gezinnen in die tijd. Eigenlijk moest je in onze familie tuinder worden.” Naar zijn zeggen is dat een familietrekje. „Haha, ik ben zelf ook wel dwingend. Mooi om te zien dat we dat allemaal een beetje hebben.”

Twijfel

Van Wijk worstelde als twintiger ook met de vraag of hij tuinder wilde worden. In zijn epiloog schrijft hij: ’Grootvader Bram kijkt mee. Hij ziet hoe ik de plantjes pak en uitzet, vaardig en vlug. Goedig kijkt hij toe over mijn schouder, instemmend. Groene vingers heeft die jongen. Ik wil dat hij dat denkt. Alleen maar dat.’ Kort daarna meldde hij zich bij een tuinder in zijn dorp, maar de tuinder zag twijfel in de ogen van de jongen. Van Wijk besloot uiteindelijk naar de School voor de Journalistiek te gaan. Toch lieten zijn roots hem nooit los. Hij werd land- en tuinbouwjournalist. „Ik wist dat ik aardig kon schrijven. Op de basisschool al. Ik schreef voor de schoolkrant.”
In de familie spraken ze veel over glastuinbouw. Ook op zondag na de kerkdienst spraken ze over werk. „Het ging vijf minuten over de preek en dan ging het weer over tomaten.” Ook op verjaardagen was het altijd raak. „Als kind vond ik dat stom, saai. Het ging altijd over de nieuwste technieken. Dan zaten we in een kring. Mijn ooms bij elkaar. Slechts één oom werkte buiten de tuinbouw. Daarom zat hij bij de vrouwen. Later vond ik het intrigerend. Mijn familie ademt glastuinbouw. Het is hun leven.” Zijn vader koos een goede vrouw. „Mijn vader was kasverwarmingsinstallateur. Door met mijn moeder te trouwen had hij er een grote klantenkring bij”, zegt hij lachend.

Markant

Het idee voor zijn boek ontstond in 2004. Inspiratie kreeg hij vooral door de anekdotes van zijn ouders. Zijn boek droeg hij daarom ook aan hen op. Zijn moeder Riet vertelde aan de keukentafel vaak over vroeger. „Ze moest op jonge leeftijd al hard werken. Als zesjarige schilde ze al aardappelen. Dat is herkenbaar voor veel mensen van die generatie. Niet zeuren, maar werken.” Hij vond de verhalen prachtig. Zijn opa Bram was een markante man met flair. Netjes gekleed naar de veiling. Hij had ook typische uitspraken. „Hij zei: ’Een tuinder die alles kan, kan niets.’ Hij bedoelde dat je als kweker focus moet houden. Mijn opa was alleen met de kassen bezig. Een schilderij ophangen in huis? Dat liet hij doen.”
Verschillen tussen man en vrouw in de twintigste eeuw komen ook naar voren in zijn ’Land van glas’. Vrouwen hoorden na hun trouwen niet meer te werken. Zijn moeder Riet deed dat wel en was werkzaam als leerkracht handenarbeid. „Bijzonder dat ze dat deed. Sterke vrouw. Ze werkte aanvankelijk ook in de kassen van haar broers. ’s Ochtends vroeg voordat ze naar haar werk ging, plukte ze tomaten. Kreeg ze geen cent voor. Net als haar zussen.” Op een dag besloot één van de zussen daar wat van te zeggen. Ze kreeg wat geld om schoenen te kopen. „Voor vijftien gulden. Ze mocht niet met geld smijten. Ze moest er wel direct iets nuttigs van kopen. Mijn tante zei: ’Komen mijn broers er toch nog gemakkelijk mee weg.’”
Toch bleef het plan voor het boek jarenlang op de plank liggen. „Ik dacht: ’hoe schrijf ik in vredesnaam zo’n boek? En hoe kom ik aan een uitgever?’ Bovendien was ik te druk met ander werk.” Via zijn vrouw komt hij bij een uitgever. Het plan werd realiteit.

Beurskrach

Het boek laat de geschiedenis van glastuinbouw zien middels de persoonlijke verhalen van zijn familie. Hij interviewde familieleden en een familielid had nog dagboeken van een oom. „Vijfendertig jaar lang hield hij dagboeken bij. Zo waardevol voor mijn boek.” Maar hij maakte ook gebruik van vakliteratuur. Zijn boek start bij de Eerste Wereldoorlog, gaat langs de beurskrach, de Tweede Wereldoorlog en eindigt in het heden. Naar zijn zeggen is het boek ook interessant voor mensen die niets van glastuinbouw weten. „Vooral omdat het ook herkenbare anekdotes zijn van vroeger.” Hij ontdekte dat zijn familie twee innovaties in de landtuinbouw op hun naam heeft. Eén van de innovaties was dat tomaten op steenwolmatten konden groeien. „Het verraste en raakte me.”
Zijn ouders zijn trots op het boek dat hij schreef. Vorige week lan- ceerde hij zijn boek. „Het was een soort reünie met mijn familie. Normaal zien we elkaar alleen op begrafenissen. Nu was er een bijzondere en feestelijke reden.” De interviews gaven hem veel. „De een-op-een gesprekken met hen waren bijzonder. Ik kijk nu anders naar mijn familie.” Op tweede pinksterdag organiseerden ze altijd een fietsdag. „Als kind hield ik daar niet van. Ze praatten veel over glastuinbouw en zaten op elkaars lip. Ik zie nu wat een boeiende wereld het is.”

Tekst: Nina Menke

Bekijk hier de pdf >>

Categorieen

Share This